Orgaandonatie (2)
Kind als donor
Het verlies van een kind aan de dood is niet te vergelijken met welk verlies dan ook. (...) De leeftijd van een kind is hierbij niet van betekenis. Dezelfde soort gevoelens en problemen treffen de rouwende ouders of het kind nu 2 dagen, 2 jaar of 72 jaar oud is. (...) Ongeacht de leeftijd van het kind verliezen de ouders hun hoop, hun dromen, verwachtingen en verlangens voor dat kind.
Therese A. Rando[1]
Kwetsbaar
In niets zijn ouders zo kwetsbaar als in hun kinderen. Wat je kind overkomt, overkomt jou, treft jou, breekt je hart. En daarom wil je tot het einde van de wereld gaan om de ellende die haar treft, die hem treft en dus jou treft, proberen te overwinnen.
Zeven maal om de aarde te gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
(…)
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.[2]
Dus zul je ook alle mogelijke middelen aangrijpen om te voorkomen dat die dood toeslaat. Maar het lijkt dan niet altijd mogelijk alle valkuilen die je daarbij kunt tegenkomen te ontwijken. Zo kunnen emoties dusdanig de overhand krijgen dat de redelijkheid – en soms ook de realiteit – uit het oog wordt verloren.
“Oproep aan Klink: Geef ons donoren”, kopt een landelijk dagblad[3] boven een open brief aan minister Klink van een moeder wier dochtertje van vijf jaar een levertransplantatie heeft ondergaan. De brief bevat een hartstochtelijk pleidooi aan de minister om terug te komen op zijn besluit geen gevolg te geven aan de aanbevelingen die de Coördinatiegroep Orgaandonatie heeft gedaan om tot een systeemwijziging van de donorregistratie over te gaan. Volgens deze moeder ontneemt de minister allen die op een donororgaan wachten alle hoop. Zowel de kop als de laatste constatering suggereren een haast goddelijk macht die de minister zou hebben. “Geef ons donoren”, is dat eigenlijk niet vragen om de dood van anderen?
Ik voelde mij verontwaardigd en machteloos toen iemand tijdens een tv-interview het waagde te beweren, dat de minister nu verantwoordelijk zou zijn voor haar dood, als zij zou sterven voordat er een orgaan voor haar ter beschikking kwam. Geen enkele correctie van de zijde van de interviewer, die daar toch een enigszins relativerende vraag tegenover had kunnen zetten, volgde. Kennelijk had deze ‘kritische’ journalist net zo min het rapport van de commissie gelezen als de geïnterviewde.
Voor mij was het een enorme verheldering van inzicht toen ik, al enkele jaren geleden, tijdens een tv-discussie over orgaandonatie iemand hoorde zeggen: “Mensen sterven niet door gebrek aan organen, maar aan een dodelijke ziekte.”
En er zullen nooit voldoende organen beschikbaar zijn om ieders leven te redden of te verlengen, want het is een illusie te denken dat het tekort aan donororganen zou zijn op te heffen door een nieuw donorregistratiesysteem. Dat is puur op statistische gronden al niet mogelijk; het aantal verkeersdoden neemt af, hersenbeschadigingen worden steeds beter behandelbaar en het aantal mensen dat op een orgaan wacht neemt alleen maar toe.
Wie beslist?
Zij die het invoeren van een nieuw systeem bepleiten zien mijns inziens een aantal grote bezwaren daartegen over het hoofd. Zo’n 70% van de donoren betreft kinderen, stelt Sue Holtkamp,[4] begeleider van nabestaanden van overledenen die donor waren. Dat percentage kan nog wel veel hoger liggen, wanneer we ons afvragen wie hier met ‘kinderen’ worden bedoeld. Want ook ouderen, volwassenen, zijn nog steeds ‘kind’ wanneer hun ouders nog leven.
Omdat zo’n hoog percentage donoren van jonge leeftijd is, zullen onder de naastbijstaanden van de donoren dus veel ouders zijn. Zij zullen relatief vaak geconfronteerd worden met de vraag of ze toestemming willen geven voor orgaandonatie. Want het zijn vooral jonge mensen die, onder bepaalde voorwaarden, het vaakst in aanmerking komen om organen af te staan. Het verbaast mij dan ook zeer dat in de discussies telkens weer naar voren wordt gebracht dat nabestaanden bij het verlenen van toestemming niet het laatste woord behoren te hebben, omdat van hen verondersteld wordt dat zij dan meestal nee zullen zeggen vanwege de zeer hectische en emotionele omstandigheden waarin zij op dat beslissingsmoment verkeren.
Die veronderstelling lijkt mij niet onterecht, zeker wanneer ouders totaal onverwacht door het feit van de donorregistratie van hun kind overvallen worden, zullen zij impulsief tot een weigering kunnen beslissen. Dit soort situaties zal bij invoering van het voorgestelde registratiesysteem alleen maar vaker voorkomen. Pijnlijke en moeilijke, heel emotionele taferelen rond het sterfbed van een geliefde zullen waarschijnlijk alleen vermeden kunnen worden door alle consequenties van het tekenen van een donorcodicil goed te doordenken en te bespreken met alle betrokkenen, want mocht het werkelijk tot donatie komen - hetgeen God verhoede! - dan worden immers zij met de directe gevolgen van de donorregistratie geconfronteerd; zij moeten zien verder te leven met de dood van iemand van wie zij zielsveel houden.
Argumenten
Toch worden steeds weer opnieuw pogingen gedaan om de beslissingsbevoegdheid van nabestaanden tot een minimum te beperken of zelfs uit te schakelen, door om de paar jaar te pleiten voor het invoeren van een nieuw donorregistratiesysteem, de zogenaamde Actieve Donorregistratie (ADR), waarbij iedereen als potentiële donor geregistreerd staat, tenzij daartegen bezwaar is aangetekend. Er wordt verondersteld dat bij een dergelijk systeem aanzienlijk meer donororganen ter beschikking komen. Tenminste 15% maar misschien zelfs 50%, stelde Jan Terlouw tijdens een persconferentie, waarin hij zijn ongenoegen uitsprak over het feit dat de minister al bij voorbaat te kennen gaf de adviezen van de door hem geleidde Coördinatiegroep Orgaandonatie niet te willen volgen. Minister Klink had daar overigens goede argumenten voor, want in het rapport van de commissie zelf wordt gesteld dat een systeemwijziging eigenlijk niet nodig is om het aantal orgaandonoren te vergroten.[5]
De minister kan dus aan hen die op een orgaan wachten alle hoop slechts ontnemen, wanneer zij zich afsluiten voor de argumenten die hij daarbij gaf. Ook de KNMG[6], een van de bij de samenstelling van het rapport betrokken partijen, is het met de conclusie van de minister eens. Gert van Dijk, beleidsmedewerker ethiek van de KNMG betoogt dat het nieuwe systeem niet effectiever is en zelfs op morele gronden verwerpelijk, omdat nabestaanden buitenspel worden gezet. Hij waarschuwt ervoor dat het aantal positieve registraties wel eens veel lager zou kunnen uitvallen, omdat veel mensen die het nog niet weten, nog twijfelen, er (nog) niet over willen nadenken, wanneer zij tot een keuze gedwongen worden, nee zullen zeggen.[7]
Twijfel
Het lijkt mij overigens, dat, wanneer het minderjarigen betreft, de beslissingsbevoegdheid sowieso niet van de nabestaanden, in dit geval de ouders, kan worden afgenomen, ook niet bij wettelijke regeling; dan zouden kinderen immers tot ‘staatseigendom’ moeten worden verklaard. Maar ook voor oudere kinderen, voor iedereen in feite, kan de beslissing om je te registreren als potentiële orgaandonor niet een louter persoonlijke beslissing zijn, ook al ben je meerderjarig en heb je er wettelijk het recht toe. Zo’n beslissing behoort altijd in goed overleg met de naaste familie genomen te worden, want zij moeten verder, met hun pijn, met hun verdriet.
Het kan dan een grote troost zijn te weten dat een zinloze dood van je kind betekenis kan krijgen, doordat je weet dat er mensen zijn wier leven meer kwaliteit kreeg, gered of verlengd werd, door middel van de organen of weefsels die ze van jouw kind ontvingen; het ‘geschenk van leven’ kregen. Sommige ouders putten troost uit het idee dat delen van hun kind verder leven, hun kind ‘nog niet helemaal dood is’, maar aan de andere kant kan dat ook heel belastend zijn.[8] Het lijkt mij voor die troost van wezenlijk belang, dat het een bewust genomen beslissing is om te ‘geven’ en niet een afgedwongen, die meer het karakter heeft van ‘nemen’.
Dat, zelfs wanneer er overwegend sprake is van gevoelens van troost, van overtuiging: we hebben een goede beslissing genomen, er zich evengoed af en toe of regelmatig enige twijfel aan je opdringt, lijkt mij heel goed mogelijk. Het is immers nogal een beslissing die je genomen hebt, van wezenlijk belang voor je verdere leven. Heeft iedere ouder niet de natuurlijke neiging tot het beschermen van zijn kind, tegen elke aantasting van zijn lijf en leden, tot aan, zelfs tot voorbij de dood?
Twijfel kan zich destemeer opdringen, wanneer ik merk dat er wordt geprobeerd mensen tot registratie over te halen doormiddel van propaganda, die vaak behoorlijk agressief is, in plaats van door eerlijke voorlichting.[9] Propaganda die eenzijdig de volle nadruk legt op alle positieve aspecten van de transplantatiegeneeskunde en zijn resultaten en de negatieve verzwijgt of bagatelliseert. Alleen wanneer mij ‘de hele waarheid’[10] wordt verteld kan ik een verantwoorde keuze maken, hoe die dan ook mag uitvallen. En dan nog…
Niemand kan zich voorstellen waar je doorheen zult gaan, wanneer je werkelijk voor de keuze wordt gesteld om toestemming te geven tot het uitnemen van organen bij je kind, dat daar nog zo zichtbaar ‘niet-dood’ aan de beademing ligt. Dat weet je pas wanneer het je werkelijk overkomt; en dat hoopt niemand mee te maken.
Nog een van de valkuilen die vaak over het hoofd worden gezien bij het invullen van het donorformulier: je houdt je bezig met een situatie die niet reëel voor je is, het betreft een gebeurtenis die voor ons gevoel alleen anderen kan overkomen, ook al vul ik de aanmelding in voor het geval het mijzelf overkomt – ik wil er helemaal niet aan denken dat het ook mijn kinderen kan betreffen.
Wanneer de beslissing dan ook werkelijk tot gevolgen leidt blijkt opeens alles heel anders te zijn.
[1] Therese A. Rando (Ed.), Parental Loss of a Child. Research Press, Champaign, Illinois 1986, blz. 6, en: Therese A. Rando, Treatment of Complicated Mourning. Research Press, Champaign, Illinois 1993, blz. 612.
[2] Ida Gerhardt, Verzamelde Gedichten I. Athenaeum – Polak en Van Gennep, Amsterdam 1992, blz. 377.
[3] AD 12-6-2008
[4] Sue Holtkamp, Wrapped in Mourning. The Gift of Life and Organ Donor Family Trauma. Brunner-Routledge, New York 2002, blz. 52
[5] Coördinatiegroep Orgaandonatie, Masterplan Orgaandonatie. Den Haag 2008, blz. 120, 132.
[6] De Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst.
[7] Gert van Dijk, Blijf af van het huidige systeem voor donatie van organen. Volkskrant 18-6-2008.
[8] Sue Holtkamp, Wrapped in Mourning, blz. 114-115.
[9] Sue Holtkamp, Wrapped in Mourning, blz. 11 e.v., 32 e.v.. Zie ook: Ger Lodewick e.a., Orgaandonor? Weet wat je kiest! Symposiumbundel. Ankh-Hermes, Deventer 1998; Ger Lodewick, Ik houd mijn hart vast. Andere dimensies van orgaandonatie. Ankh-Hermes. Deventer 1998; Pamela Stark, De hele waarheid. Verhalen uit de praktijk van orgaantransplantatie. Papieren Tijger, Breda 2005; Renée C. Fox, Afterthoughts: Continuing Reflections on Organ Transplantation. In: Stuart J. Youngner, Renée C. Fox, and Laurence J. O’Connell, (Ed.), Organ Transplantation. Meanings and Realities. The University of Wisconsin Press, Madison, Wisconsin 1996, blz. 252-272.
[10] Pamela Stark, De hele waarheid. Verhalen uit de praktijk van orgaantransplantatie. Papieren Tijger, Breda 2005.

Laatste reacties